opc_loader

Alles over groenbemesters

lupine als groenbemester

Onder groenbemesters verstaan we gewassen die we in de vollegrond zaaien en op laten groeien, om ze vervolgens onder te spitten, met als doel de bodem te verbeteren.

Het nut van groenbemesters

Groenbemesters geven voedingsstoffen af aan de grond, verbeteren de structuur van de bodem, verminderen het wegspoelen van voedingsstoffen uit de bodem en zorgen ervoor dat onkruid minder kans krijgt.

Stikstof bijvoorbeeld is een stof die planten nodig hebben voor hun groei. Een groenbemester die het stikstofgehalte in jouw bodem verhoogt, draagt het volgende seizoen bij aan sterkere gewassen op die plek.

Type groenbemesters

We onderscheiden verschillende typen groenbemesters die elk hun voor- en nadelen hebben. Voorbeelden zijn: kruisbloemigen, vlinderbloemigen en grassen. De één bedekt de grond goed, de ander geeft veel stikstof af. Je kunt ook verschillende groenbemesters combineren om zo tot het optimale resultaat te komen.

groenbemesters gele mosterd

Kruisbloemigen

Voorbeelden van dit type groenbemester zijn bladkool, gele mosterd en bladrammenas. Kruisbloemigen zijn uiterst geschikt om onkruidontwikkeling te beperken, alleen hebben zij als nadeel dat ze de kans vergroten op knolvoet; dit is een wortelziekte waar koolsoorten, zoals bloemkool, gevoelig voor zijn. Om knolvoet in je moestuin te voorkomen, moet het dus meedraaien in de wisselteelt.

Vlinderbloemigen

Een populair type groenbemester dat zorgt voor een hoog stikstofgehalte in de bodem. Voorbeelden van dit type zijn lupine, (witte) klaver en wikke. Dit type is familie van vlinderbloemige groenten (peulvruchten als tuinbonen en erwtjes) en draait dan ook mee in de wisselteelt. Dit type geeft veel voedingsstoffen af aan de bodem.

lupine groenbemesters

Grassen

Het grote voordeel van grassen is dat deze niet mee hoeven te draaien in de wisselteelt. Daarnaast zijn het uitstekende bodembedekkers, die goed onkruid onderdrukken. Het nadeel van grassen is, dat ze geen stikstof aan de grond afgeven. Hier tegenover staat dat het wel veel organisch materiaal levert, wat na het omspitten ten goede komt aan de grond. Voorbeelden van grassen als groenbemester zijn rogge en raaigras.

Planning

Een groot deel van de groenbemesters moet meedraaien in de wisselteelt. Zo zijn bijvoorbeeld kruisbloemige groenbemesters, zoals bladkool en gele mosterd familie van de kolen en daarom gevoelig voor knolvoet. Op de plek waar deze groenbemesters gestaan hebben, kun je vervolgens vier jaar lang geen koolgewassen telen. Bij het maken van een plan voor je bemesting en indeling van de moestuin is dit iets waar je rekening mee moet houden.

Er zitten behoorlijke verschillen in de opname en afgifte van voedingsstoffen van de verschillende groenbemesters en ook dit is belangrijk voor de planning van je moestuin. Wikke bijvoorbeeld geeft veel stikstof af. Peulgewassen houden niet van stikstofrijke grond, dus zal je deze daarna niet op die plek moeten planten.

groenbemesters

Werkwijze

Voor het zaaien van groenbemesters, moet je de grond voorbereiden. Hoe je dit doet lees je hier. Net als bij het zaaien van groenten en kruiden vind je ook op de verpakkingen van de zaden van groenbemesters de meest belangrijke informatie. Zo lees je hier op welke manier ze gezaaid moeten worden, wanneer dit moet gebeuren en hoeveel zaad je moet gebruiken.

Over het algemeen worden groenbemesters breedwerpig gezaaid. Dit wil zeggen dat je de zaden gelijkmatig over een bepaald stuk grond uitstrooit.

Kies je ervoor om verschillende soorten groenbemesters te combineren, let er dan wel op dat deze in dezelfde periode gezaaid moeten worden.

Na het zaaien moet je de groenbemesters van water voorzien. Hier lees je alles over water geven.

Terug